In contact workshops 14 september 2022: 09.15 u. - 10.45 u.

Symposia (90 min)

 

Workshops (60 min) en mededelingen (20 min)

 

Symposia

S9: In contact met Infant Mental Health

Door Helena Van den Steene

In dit symposium belichten we “in contact” binnen het Infant Mental Health (IMH)-kader. We staan stil bij de rol van “contact” binnen de neurobiologische en relationele ontwikkeling van het jonge kind, de ouder en de ouder-kindrelatie. We exploreren ook hoe binnen IMH-werk in (verbale en nonverbale) therapie vanuit de ouder-kindrelatie diagnostisch en therapeutisch met, en aan, “contact” wordt gewerkt. We eindigen met een bespreking van de specifieke eisen die IMH-werk, net vanwege de sterke interactionele focus, op team- en organisatieniveau stelt. We illustreren deze aspecten aan de hand van casusmateriaal vanuit de dagbehandeling Baby-Peuter van het UKJA (Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen).

Extra samenvattingen

  1. Bijdrage 1: “in contactin relatie tot de IMH-pijlers Dr. Helena Van den Steene ZNA UKJA: Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen “In contact” wordt in deze eerste bijdrage belicht vanuit de vroege ontwikkeling van het kind, de ouder-kindrelatie en het ouderschap, en verkend in kader van de IMH-visie. IMH richt zich op het bevorderen van de kwaliteit van de contact ouder/zorgfiguur–kindrelatie om zo de ontwikkeling en het sociaal-emotioneel welzijn van het jonge opgroeiende kind en zijn/haar zorgfiguren te optimaliseren. De IMH-pijlers ontwikkelingssensitiviteit, relationele inbedding, transdisciplinariteit en reflectiviteit zijn alle gerelateerd aan deze mogelijkheid om tot contact te komen. Aanraking en interpersoonlijke uitwisseling vormen immers de relationele inbedding waarin de ouder-kindrelatie vorm krijgt en waarbinnen de ontwikkeling van het kind en de ouder(s) zich kan voltrekken. Contact is noodzakelijk voor een gezonde neurobiologische ontwikkeling en voor het opbouwen van gehechtheidsrelaties. Een kind is vanaf het begin deel van een relationele wereld waarmee het in contact treedt. Net omdat de verschillende ontwikkelingsdomeinen bij jonge kinderen sterk verweven zijn, is transdisciplinair werken in het werk met jonge gezinnen erg waardevol. Een reflectieve attitude met aandacht voor de afstemming met het jonge kind, de ouders en andere hulpverleners is daarbij essentieel.
  2. Bijdrage 2: “in contact”, via verschillende ports-of-entry Ellen Lossie en Fanny Bouwens ZNA UKJA: Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen In deze tweede bijdrage bespreken we hoe binnen de hulpverlening aan jonge kinderen en hun gezin contact ondersteund wordt vanuit verschillende invalshoeken. Diagnostiek, preventie en interventie zijn binnen het IMH-werkveld sterk verweven en hebben alle verband met de mogelijkheid om tot “contact” met zichzelf en de ander te komen. De relatie tussen ouder en kind staat centraal en kan zowel via verbale als via nonverbale “ports-of–entry” verkend en ondersteund worden. Afhankelijk van de eigenheid van kind- en contextfactoren kan de voorkeur uitgaan naar een vorm van lichaamsgerichte therapie, muziektherapie, of juist een (meer) verbale psychotherapie. Hierbij biedt vaak net het combineren van verschillende therapievormen een meerwaarde om afstemming tussen ouder en kind maar ook gezinsbreed te ondersteunen. Aan de hand van casusmateriaal lichten we deze hulpverleningsmodaliteiten toe.
  3. Bijdrage 3: “in contactbinnen een IMH team Dr. Helena Van den Steene en Katrine Wellens ZNA UKJA: Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen IMH-werk stelt, zoals elk werk met kinderen en hun gezin, eisen aan het contact tussen ouder en therapeut, en op teamniveau. Verschillende van de aandachtspunten in het werk met jonge kinderen en hun gezin, zijn ook op team- en organisatieniveau van belang. Dit onder meer vanwege het parallel proces tussen de relatie ouder-kind en therapeut-ouder (-kind). De nood aan een mentaliserende basishouding en relationele sensitiviteit staat op de voorgrond. Daarnaast zijn er ook parallellen met betrekking tot enerzijds de veranderende identiteit en nieuwe rollen die het ouderschap met zich meebrengt en anderzijds de verschillende en veranderende rollen binnen een IMH team. Ook de verwevenheid van ontwikkelingsdomeinen met de daarmee samenhangende nood aan transdisciplinariteit lichten we toe vanuit aandachtspunten op team- en organisatieniveau, geïnspireerd door het IMH-werk met gezinnen. We illustreren deze thema’s aan de hand van praktijkvoorbeelden.

 

S10: Traumagerichte interventies van de behandelingspleegzorg

Door Frank Van Holen

Naast de scheiding van de ouders, maakte +/- 85% van de Vlaamse pleegkinderen nog minstens één trauma mee, 1/3 vertoont symptomen van Posttraumatische Stressstoornis. Vroegkinderlijke traumatische ervaringen kunnen gevolgen hebben op gedragsniveau (wegens sterke associatie met een brede waaier aan probleemgedragingen); op biologisch niveau (wegens groeiende evidentie voor de invloed op structuur en werking van de hersenen), die op hun beurt kunnen leiden tot fysieke en mentale problemen in de volwassenheid (Vanderfaeillie et al., 2014). Trauma verdient dan ook aandacht in de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor implementeerden pleegzorgdiensten interventies behandelingspleegzorg. Behandelingspleegzorg betreft wetenschappelijk onderbouwde, afgelijnde, geïndiceerde interventies, aangeboden bovenop de reguliere pleegzorgbegeleiding. Bedoeling is om breakdown te voorkomen en de levenskwaliteit van pleegkinderen, -gasten, ouders en pleegzorgers te verhogen. In dit symposium beschrijven drie traumagerichte interventies uit een brede waaier van behandelingsinterventies die in pleegzorg worden aangeboden. Florian Van Campenhout beschrijft een groepsinterventie die pleegouders ondersteunt in het hanteren van de ‘traumabril’; Sarah Keyaert richt zich op een interventie voor jonge pleegkinderen en hun pleegouders; Lenny Trogh bespreekt hoe middels het intensief begeleiden van ouder-kind-contacten de relatie tussen de ouder(s) en hun geplaatste getraumatiseerde kind(eren) ondersteund en versterkt wordt. Referentie: Vanderfaeillie, J., Vanschoonlandt, F., Van Holen, F., De Maeyer, S., & Robberechts, M. (2014). Traumatische gebeurtenissen en traumatische stresssymptomen bij pleegkinderen. Een verkennende studie in Vlaanderen. Kind & Adolescent, 35(3), 135-149.

Extra samenvattingen 

  1. Traumasensitief opvoeden voor pleegouders Florian Van Campenhout, Sarah Keyaert, Marjan Klingels, & Frank Van Holen Traumasensitief opvoeden is een groepstraining die werd ontwikkeld door het Amerikaans traumanetwerk voor kinderen (National Child Traumatic Stress Network – www.nctsn.org). Ze werd bewerkt en vertaald voor de Nederlandse hulpverleningspraktijk door Coppens en van Kregten (2012). Deze training wordt door alle diensten voor pleegzorg aangeboden aan pleegouders. In 8 groepssessies worden pleegouders getraind in ‘traumasensitief opvoeden.’ Opvoeden met kennis van trauma moet het vertrouwen van het pleegkind in eigen capaciteiten vergroten, alsook het gevoel van veiligheid en het gevoel de moeite waard te zijn. Pleegouders leren technieken en vaardigheden om het gedrag en disfunctionele opvattingen van het pleegkind te veranderen en leren manieren om de opvoedingsstress te verminderen. Er wordt gewerkt aan volgende opvoedingsvaardigheden: 1. impact van trauma op het pleegkind herkennen, 2. het pleegkind helpen zich veilig te voelen, 3. het pleegkind helpen overweldigende emoties te begrijpen en te beheersen, 4. het pleegkind helpen door gedragsproblemen aan te pakken, 5. positieve en stabiele relaties in het leven van het pleegkind respecteren en stimuleren, 6. het pleegkind helpen een levensverhaal te ontwikkelen dat gebaseerd is op zijn eigen sterkte, 7. een ‘vertegenwoordiger’ zijn voor het pleegkind, 8. diagnostiek en behandeling van trauma stimuleren, 9. zorgen voor zichzelf. In deze bijdrage wordt de inhoud van de training in combinatie met casuïstiek voorgesteld. Referentie: Coppens, L., & van Kregten, C. (2012). Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders. Handboek voor trainers. Houten: Bohn Stafleu en van Loghum.
  2. Sensomotoriek in pleegzorg Sarah Keyaert, Marjan Klingels, Lisa Van Hove, & Frank Van Holen Sensomotoriek in pleegzorg is een interventie voor getraumatiseerde jonge pleegkinderen en hun pleegouders. Ze maakt gebruik van principes uit Sherborne, therapeutische kinderyoga en is gebaseerd op inzichten van traumadeskundigen Perry, Van der Kolk en Struik. Doel is om pleegkinderen die traumatische ervaringen hebben meegemaakt te helpen om niet meer overspoeld te worden door gewaarwordingen en emoties die geassocieerd zijn met trauma. Door stabiliserend, lichaamsgericht werk met pleegkinderen en hun pleegouders wordt het gevoel van controle over het zelf van het kind vergroot. Subdoelen zijn de ontwikkeling van het interoceptief vermogen, impulsbeheersing en inhibitie van ongepast gedrag, integreren van ervaringen tot een coherent verhaal, vergroten van het inlevingsvermogen om meer oplossingen te kunnen genereren, afstellen van gevaardetectie en van tijdsgevoel, vergroten van affectregulatie en het creëren van een veilige/positieve relationele ervaring. De interventie wordt uitgevoerd in groep volgens een protocol bestaande uit 7 groepsessies: de eerste sessie betreft een infosessie voor pleegouders, de volgende 4 sessies gaan door met de pleegkinderen alleen, de laatste 2 sessies met pleegkinderen en pleegzorgers samen. Aan de hand van casuïstiek wordt de inhoud van deze interventie besproken. Referentie: Keyaert, S., Klingels, M., Van Hove, L., & Van Holen, F. (2021). Sensomotorisch werken met getraumatiseerde kinderen. Een methodiekhandboek. Brussel: VUBPRESS.
  3. Traumagerichte bezoekbegeleiding (TBB) Lenny Trogh, Evi Clagg, Sarah Keyaert, Florian van Campenhout, & Frank Van Holen Centrale doelstelling van TBB is het ondersteunen en versterken van de relatie tussen de ouder(s) en hun geplaatste getraumatiseerde kind(eren). TBB is gebaseerd op Child Parent Psychotherapie en werd door Hoffnung-Assouline en Knei-Paz (2019) aangepast aan pleegzorg. Ze is gebaseerd op de gehechtheidstheorie en integreert psychodynamische, ontwikkelings-, trauma-, sociale leertheoretische en cognitief gedragsmatige zienswijzen. Volgende subdoelen worden onderscheiden: 1. Zorgen voor veilige klinische setting voor kind en ouder. 2. Emotionele ondersteuning van alle betrokkenen voor, tijdens en na contacten. 3. Tijdens contacten wordt de psychologische wereld van het kind naar de ouders vertaald en gemedieerd en andersom waardoor gedrag en intenties genormaliseerd worden en wederzijds begrip toeneemt. Tezelfdertijd worden traumatriggers geïdentificeerd. 4. Speelmomenten en wederzijds plezier tussen ouder en kind faciliteren. 5. Bevorderen, identificeren en benoemen van “de beste intenties” van de ouders ten aanzien van hun kind. 6. Mediëren van de overgang van het kind tussen de ouderfiguren (ouders en pleegouders) voor en na contacten. 7. Ouders ondersteunen om een narratief te ontwikkelen dat uitleg en betekenis geeft aan de gebeurtenissen die leidden tot de plaatsing. Aan de hand van casuïstiek wordt de inhoud van deze interventie besproken. Referentie Hoffnung-Assouline, A., & Knei-Paz, C. (2019). Improving parent-child interactions at supervised contact visits. The case of foster families with diverse background from birth families. ZAHW School of Social Work, 10th International Foster Care Research Network Conference, 6/09/2019.

 

S11: In contact blijven over grenzen heen. Wanneer afstand nemen nodig is om nabij te blijven

Door Judith Haas

Fordulas Binnen een forensisch –therapeutische afdeling als Fordulas kan je niet om het thema “grenzen” heen. We zien jongeren die grenzen (op)zoeken en die zich bij momenten grenzeloos voelen. We ontmoeten jongeren waarbij er over grenzen gegaan werd/ wordt en jongeren die over andermans grenzen gaan. De jongeren van Fordulas dagen ons als hulpverlening uit, ze confronteren ons met onze eigen grenzen en doen er ons ook regelmatig op botsen. Hoe kunnen we in deze situaties als hulpverlener in contact blijven met jongeren? Betekent in contact blijven, ook steeds dat we nabij moeten blijven? Op deze vragen, zoeken we als team dagelijks een antwoord. Verschillende orthopedagogische en psychotherapeutische principes en kaders bieden onze afdeling een houvast en een leidraad. Met deze lezing hopen we jullie inzicht te bieden in onze manier werken en willen we jullie prikkelen om na te denken over het thema afstand-nabijheid bij jongeren die grenzen overschrijden. Waarom afstand houden op lange termijn soms meer nabijheid tot gevolg kan hebben en omgekeerd …

Extra samenvattingen 

  1. “S. laat zich moeilijk kennen, ze behoudt een zekere afstandelijkheid, is zoekend naar woorden. De machteloosheid is intens voelbaar, ernstige agressie-incidenten en fugues volgen mekaar op. Hulpverleners zoeken naar antwoorden, oplossingen, willen dit ondraaglijke niet langer dragen.” De jongeren die door de jeugdrechter naar Fordulas verwezen worden, voelen zich vaak machteloos, eenzaam, ontheemd,... Ze hebben het gevoel dat ze als een speelbal heen en weer gekaatst worden. Tegelijkertijd zorgt hun gedrag ervoor dat niemand hen nog werkelijk te pakken krijgt. Aan het begin van een opname op Fordulas hebben jongeren vaak het gevoel dat er voor hen geen plek meer is binnen onze maatschappij, dat wij als volwassenen hen niets meer te bieden hebben. Het therapeutisch proces van de jongeren staat of valt met onze mogelijkheid tot contactopbouw. Onze jongeren staan vaak erg wantrouwend in contact, ze vinden het moeilijk om de controle los te laten, stellen uitdagend gedrag of houden afstand. Tijdens de motivationele fase verblijven onze jongeren in geslotenheid. We bieden veilige, voorspelbare grenzen, die hen helpen om stabiliteit te vinden, zodat ze kunnen aarden. Ze leren dat wij ons als team aan ons woord houden en dat we ons niet laten overspoelen of wegduwen door destructiviteit. De veilige, voorspelbare grenzen worden een springplank om in contact te gaan, om aan de slag te gaan met moeilijke thema’s en stilaan opnieuw aan bruggen naar de maatschappij te bouwen. Lize Kreemers, behandelcoördinator en gezinstherapeut Fordulas
  2. Affectregulatie in de leefgroep. Bij de jongeren van Fordulas staat de affectregulatie onder druk. Het leren reguleren van affecten is al tijdens de vroegkinderlijke periode een belangrijke ontwikkelingstaak. Hiervoor heeft een kind volwassenen nodig. De jongeren van Fordulas hebben vaak onvoldoende geloof en vertrouwen kunnen opbouwen in hun eigen geest als een bron van ervaringen, gedachten en emoties. Het team van Fordulas tracht elke dag opnieuw een afgestemde spiegel te vormen voor de jongeren, als basis voor co-regulatie. We gaan met hen op zoek naar signalen, betekenissen en helpende strategieën, zodat ze kunnen doorgroeien naar zelfregulatie. Vanuit een veilige, warme, omringende vasthoudendheid hopen we jongeren te stimuleren en uit te dagen om uit hun comfortzone te komen. De jongeren ontwikkelen de capaciteit om alleen te kunnen zijn en te kunnen separeren, wat de mogelijkheid van een nieuw begin biedt. Naarmate de jongeren groeien, kunnen ze gaan oefenen om stilaan terug een plek voor zichzelf binnen onze maatschappij te durven denken. Niels Busschots, leefgroepbegeleider Fordulas
  3. Mentalisatie en het team Hoge spanning en paniek kunnen de mentaliserende vaardigheden van onze jongeren uitschakelen. Ze vallen terug op automatisch mentaliseren: ze gaan er al te snel van uit te weten wat de ander denkt en voelt. “Wat ik voel, is zo bedoeld door de ander.” Binnen Fordulas resoneren we regelmatig mee op de intense kwaadheid, schuldgevoelens en angst van onze jongeren. We komen in contact met een intense destructiviteit die zich uit in agressie of zelfbeschadigend gedrag, dit maakt ons angstig en we willen dit reflexmatig afweren. Als hulpverlener lopen we het risico om op deze momenten zelf ook onze mentaliserende vaardigheden te verliezen. Hierdoor kan de behandeling vastlopen, we komen vast te zitten in een continue herhaling van verkeerd begrepen en gespiegelde gevoelens: haat, machteloosheid en schuld. Om die reden moeten we als hulpverlener aandacht besteden aan onze affectieve resonantie, nadenken over de betekenis en er taal aan geven. Naar analogie met Bions container, houden we onze jongeren vast door hun ondraaglijke inhouden te ontvangen, verdragen en “verteren”, om het later in verwerkte vorm terug te geven aan onze jongeren. Dit complexe verwerkingsproces kan enkel in een team waar er ruimte is om te spreken, om elementen vanuit verschillende posities te belichten, waarin teamleden mogen spreken over wat er hen raakt. Al reflecterend en sprekend staan we model voor onze jongeren, die een nieuwe, minder destructieve taal leren gebruiken. Dr. Judith Haas, kinder- en jeugdpsychiater Fordulas

 

S12: Adaptief gedrag

Door Bea Kreemers

Adaptief gedrag verwijst naar het geheel van conceptuele, sociale en praktische vaardigheden die een individu nodig heeft in het dagelijks leven. Het concept adaptief gedrag heeft een groot belang in de classificerende diagnostiek van verstandelijke beperking, maar speelt daarnaast ook een belangrijke rol in de context van handelingsgerichte diagnostiek en de evaluatie van interventies bij diverse ontwikkelingsproblemen. In samenwerking met vele praktijkorganisaties heeft onze onderzoekseenheid (Gezins- en Orthopedagogiek, KU Leuven) recent een vertaling en normering gepubliceerd van een schaal om adaptief gedrag in kaart te brengen: Adaptive Behavior Assessment System - Third Edition (ABAS-3; Kreemers et al., 2020). Dit symposium bestaat uit vier bijdragen. In een eerste bijdrage onderzoeken we adaptieve profielen bij een brede klinische groep van kinderen met ontwikkelingsproblemen. We tonen daarbij niet enkel het belang aan van een transdiagnostisch perspectief, maar benadrukken ook de individuele sterktes en zwaktes in adaptief gedrag. In de tweede bijdrage onderzoeken we adaptief gedrag bij een groep kinderen met een specifieke ontwikkelingsproblematiek, namelijk autisme. We demonstreren daarbij het belang van de kloof tussen intelligentie en adaptief gedrag in de context van gedragsproblemen. De twee laatste bijdragen kaderen binnen een interuniversitair onderzoek (TIARA), waarbij baby’s met een verhoogde kans op autisme longitudinaal worden opgevolgd. We onderzoeken het verband tussen opvoedingsgedrag, ouderlijke stress en de adaptieve vaardigheden bij peuters van 14 maanden. Ten slotte bestuderen we het verband tussen één specifiek domein van adaptief gedrag, namelijk communicatieve vaardigheden, opvoedingsgedrag en gedragsproblemen bij peuters van 24 maanden.

Extra samenvattingen 

  1. Bijdrage 1: Bestaat er een typisch adaptief profiel per diagnostische classificatie of is het tijd voor meer nuance? Auteurs: Bea Kreemers1,2, Jarymke Maljaars1,2,3, Kris Evers1, 2, 3, Bea Maes1, Ilse Noens1, 2 (1) Gezins- en Orthopedagogiek, KU Leuven (2) Leuven Autism Research (LAuRes), KU Leuven (3) GAUZZ, UPC KU Leuven (4) Expertisecentrum Autisme, UPC KU Leuven Abstract: De voorbije jaren werd veel onderzoek gedaan naar adaptieve profielen bij kinderen met een ontwikkelingsstoornis. In deze studie bestuderen we welke adaptieve profielen binnen een groep van kinderen met autisme en/of verstandelijke beperking (5-18j; N = 222) onderscheiden kunnen worden. Vervolgens onderzoeken we in welke mate individuele variabelen (diagnostische classificatie, geslacht en leeftijd) zich verdelen over deze adaptieve profielen. De resultaten wijzen uit dat er drie adaptieve profielen worden onderscheiden, genoemd naar hun relatieve sterktes (Vlak, Academisch en Sociaal). Verder leren de resultaten ons onder meer dat bijna twee derde van alle kinderen wordt toegekend aan het Vlak Profiel. De overige kinderen worden dus verdeeld over de andere twee profielen. Beide profielen scoren onder andere relatief zwak op Zelfverzorging. Een vergelijking tussen de drie diagnostische classificaties leert ons dat significant meer kinderen met autisme behoren tot het Academische Profiel. Opvallend meer kinderen met een verstandelijke beperking behoren tot het Sociaal Profiel. Kortom, adaptieve profielen zijn niet noodzakelijk classificatie-gebonden. Op vlak van adaptief gedrag kunnen kinderen met eenzelfde classificatie sterk verschillen van elkaar, maar kinderen met een verschillende classificatie kunnen ook sterk gelijken op elkaar. Om die reden kan het in kaart brengen van adaptief gedrag een meerwaarde betekenen in het bieden van ondersteuning op maat.
  2. Bijdrage 2: De kloof tussen adaptief gedrag en intelligentie bij kinderen met autisme en het verband met gedragsproblemen Auteurs: Kris Evers1, 2, 3, Bea Kreemers1, 2, Jarymke Maljaars1, 2, 4, Jean Steyaert2, 3, Ilse Noens1, 2 Affiliaties: (1) Gezins- en Orthopedagogiek, KU Leuven (2) Leuven Autism Research (LAuRes), KU Leuven (3) Expertisecentrum Autisme, UPC KU Leuven (4) GAUZZ, UPC KU Leuven Abstract: Heel wat kinderen en jongeren met autisme ervaren substantiële moeilijkheden in het leven van alledag. In vergelijking met leeftijdsgenoten tonen zij lagere niveaus van adaptief gedrag – zelfs bij (boven)gemiddelde cognitieve vaardigheden – en meer internaliserende en externaliserende gedragsproblemen. Wij wilden meer inzicht verkrijgen in adaptief gedrag bij kinderen met autisme tussen 2 en 18 jaar. Meer in het bijzonder onderzochten we de discrepantie tussen adaptief gedrag en intelligentie, en diens samenhang met gedragsproblemen. Adaptief gedrag (ABAS-3), gedragsproblemen (Child Behavior Checklist; CBCL) en intelligentie werden in kaart gebracht bij 89 kinderen met diagnose autismespectrumstoornis, waarvan 11 kinderen met bijkomende verstandelijke beperking. In lijn met de literatuur toonden onze resultaten een kloof tussen adaptief gedrag en intelligentie bij kinderen met autisme. Deze discrepantie was het meest uitgesproken bij de groep zonder bijkomende verstandelijke beperking: bij maar liefst 55% van die kinderen lagen de adaptieve vaardigheden beduidend lager dan hun intelligentie. Een grotere discrepantie tussen adaptief gedrag en IQ was geassocieerd met meer gedragsproblemen, en vooral met internaliserende gedragsproblemen. Binnen de hulpverlening is het belangrijk om oog te hebben voor potentiële kwetsbaarheden van kinderen met autisme, die ruimer zijn dan de diagnostische criteria. Daarnaast vormen tegenstellingen tussen verwachtingen op basis van intelligentie en zelfstandig functioneren in het leven van alledag relevante aandachtspunten.
  3. Bijlage 3: Adaptief gedrag en opvoeding bij peuters met een verhoogde kans op autisme Auteurs: Lotte van Esch1,2, TIARA team1,2,3,4, Petra Warreyn3, Herbert Roeyers3, Jean Steyaert2,4, Ilse Noens1,2 Affiliaties: (1) Gezins- en Orthopedagogiek, KU Leuven (2) Leuven Autism Research (LAuRes), KU Leuven (3) Experimenteel-klinische en Gezondheidspsychologie, Universiteit Gent (4) Expertisecentrum Autisme, UPC KU Leuven Abstract: De bestaande literatuur focust overwegend op de relatie tussen adaptief gedrag en individuele factoren zoals leeftijd, geslacht en diagnostische classificatie. In deze exploratieve studie zoomen we in op contextvariabelen. In het bijzonder kijken we naar de samenhang tussen gerapporteerd opvoedingsgedrag (Schaal voor Ouderlijk Gedrag; SOG), ouderlijke stress (Nijmeegse Ouderlijke Stress Index; NOSIK) en adaptief gedrag (ABAS-3) bij kinderen van 14 maanden oud met een verhoogde kans op autisme. De dataverzameling van deze studie is nog lopende. Hieronder staan onze voorlopige resultaten beschreven op basis van 80 siblings van kinderen met autisme en 43 prematuur geboren kinderen (zwangerschapsduur <30 weken). Op het congres presenteren we meer definitieve resultaten. We vonden een positief verband tussen het sociale domein van adaptieve vaardigheden en zelf gerapporteerde warmte en autonomieondersteuning van de moeder binnen de groep prematuren. Daarnaast wordt er een positieve relatie gevonden tussen ouderlijke stress en discipline binnen deze groep. Daarentegen worden er in de groep van siblings geen verbanden gevonden tussen de domeinen van adaptief gedrag en opvoedingsgedrag. Wel worden er binnen deze groep relaties gevonden tussen ouderlijke stress en specifieke opvoedingsgedragingen. Deze voorlopige resultaten suggereren dat opvoedingsgedragingen samenhangen met sociale vaardigheden van het kind. Verder suggereren deze resultaten dat ouders van de twee groepen op een andere manier omgaan met opvoedingsstress. Naarmate ouders van siblings meer stress ervaren, uiten ze over het algemeen minder warmte, minder autonomieondersteuning, belonen ze minder en geven ze meer toe. De mate van stress lijkt daarentegen minder samen te hangen met opvoedingsgedrag bij ouders van premature kinderen.
  4. Bijlage 4: De linken tussen opvoedingsgedrag, communicatieve vaardigheden en gedragsproblemen bij peuters met een verhoogde kans op autisme Auteurs: Julie Segers1, 2, TIARA team1,2,3,4, Lotte Van Esch1, 2, Petra Warreyn3, Herbert Roeyers3, Jean Steyaert1,2,4, Ilse Noens1, 2 Affiliaties: (1) Gezins- en Orthopedagogiek, KU Leuven (2) Leuven Autism Research (LAuRes), KU Leuven (3) Experimenteel-klinische en Gezondheidspsychologie, Universiteit Gent (4) Expertisecentrum Autisme, UPC KU Leuven Abstract: Internaliserende en externaliserende gedragsproblemen komen vaker voor bij kinderen met autisme dan bij kinderen zonder autisme. Eerder onderzoek bij kinderen, jongeren en volwassenen suggereert dat moeilijkheden op gebied van communicatie hier een rol in kunnen spelen. Deze studie onderzoekt het verband tussen opvoedingsgedrag van moeders (SOG), gedragsproblemen (CBCL) en communicatieve vaardigheden (ABAS-3) bij tweejarige peuters met een verhoogde kans op autisme (n = 119). Voorlopige resultaten tonen aan dat sterkere communicatieve vaardigheden gepaard gaan met een hogere mate van disciplineren en met minder internaliserende gedragsproblemen. Daarnaast wordt een positief verband gevonden tussen probleemgedrag (Totale Score) en toegeeflijk opvoedingsgedrag. Het verband tussen sterkere communicatieve vaardigheden (o.a. nee zeggen) en disciplineren van de ouders zou verklaard kunnen worden door zowel de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt (peuterpuberteit) als een mogelijks atypische ontwikkeling die ouders voor meer uitdagingen stelt. Daarnaast zouden sterke communicatieve vaardigheden een protectieve factor kunnen zijn in het voorkomen van de ontwikkeling van internaliserende gedragsproblemen. Bovendien zou het kunnen dat internaliserende gedragsproblemen de ontwikkeling van communicatieve vaardigheden bemoeilijkt. Ten slotte rapporteren ouders van kinderen die meer gedragsproblemen stellen een hogere mate van toegeven, wat op korte termijn de gedragsproblemen kan voorkomen, maar op langere termijn de gedragsproblemen kan doen toenemen. Verdere analyses over de tijdsmomenten heen zouden ons meer inzicht kunnen geven in de richting van de verbanden. Op het congres presenteren we meer definitieve resultaten.

 

 Workshops en mededelingen

WS37: Multi familie dagbehandeling voor de behandeling van jongeren met anorexia nervosa: Wat is het effect en is het ook toepasbaar voor andere ziektebeelden?

Door Annik Simons, Katrien Baekelandt, Anke Tielemans - Zorgeenheid Eetstoornissen UKJA

Reeds vanaf de jaren 60 wordt multi familie therapie gebruikt voor verschillende ziektebeelden zoals schizofrenie, middelenmisbruik en chronische medische aandoeningen. Sinds de jaren ’90 wordt het toenemend gebruikt voor de behandeling van jongeren met een eetstoornis. De therapie is gericht op het versterken van de ouders en het gezin in de coping vaardigheden om met de eetstoornis om te gaan, de gezinnen een actieve rol te geven in het genezingsproces, het leren van ervaringen van lotgenoten, een gevoel van steun en solidariteit ontwikkelen en het doorbreken van stigma en sociale isolatie. Sinds 2007 wordt binnen UKJA een Multi Familie dagbehandeling aangeboden voor jongeren met anorexia nervosa, bestaande uit 10 dagen verspreid over een jaar, telkens voor een groep van 4 tot 7 gezinnen. In de workshop wordt de filosofie en het model van multi familie therapie toegelicht. Dit wordt geïllustreerd met oefeningen en film materiaal. We presenteren de resultaten van het effect van de therapie op verschillende gebieden: BMI, geobserveerd anorectische gedrag, eetstoornis cognities, emotioneel welzijn en deelnemerstevredenheid. Tevens wordt er in de workshop met de deelnemers gereflecteerd over toepassingsmogelijkheden van deze therapievorm bij andere ziektebeelden.

 

M8: In contact met ons evolutionaire verleden

Door Hendrickx

In thema van het congres beschouw ik het evolutionaire spoor als 'in contact met ons evolutionaire verleden'. Mijn masterpaper (met promotor prof. J. Steyaert) die ik komende maanden wens te publiceren, handelt over evolutionaire psychiatrie en autismespectrumstoornis. Verschillende theoriëen buigen zich over de paradox hoe psychiatrische pathologie met enerzijds forse impact op functioneren en reproductiviteit een hoge prevalentie blijft hebben met een anderzijds grote onderliggende genetische oorzaak. In mijn masterpaper in het kader van de specialisatie kinderpsychiatrie heb ik een systematic review verricht hoe het autismespectrumstoornis evolutionair benaderd kan worden in het kader van de cognitieve ontwikkeling bij de homo sapiens. Dit geeft zowel wetenschappelijk als klinisch mogelijks nieuwe inzichten.

 

WS38: Psychologische begeleiding van kinderen en jongeren met autisme: wat werkt (niet)?

Door Peeters

Soms zijn kinderen en jongeren met autisme gebaat bij psychologische begeleiding. Die begeleiding heeft uiteraard niet als doel om autistische basisdeficits of de autistische zijnswijze te behandelen, maar om kinderen en jongeren te helpen om de gevolgen van hun autisme beter te hanteren. Door hun communicatieve beperkingen, afwijkende informatieverwerking en verschillen in hoe ze relaties opbouwen en beleven, is dat echter allesbehalve vanzelfsprekend: zelfs ervaren therapeuten bijten hun tanden hierop soms stuk en ook jongeren met autisme beleven lang niet elk therapiegesprek als een helpende ervaring. Tijdens deze workshop reiken we hulpverleners – na een analyse van de valkuilen – concrete technieken aan om zowel de gebruikte gesprekstechniek (hoe) als de besproken gespreksinhouden (waarover) aan te passen aan kinderen en jongeren met autisme. De klemtoon ligt daarbij op normaal begaafde en licht verstandelijk beperkte kinderen en jongeren met autisme.

 

M9: Uitdagingen in het identificieren van cognitief talent bij jongeren met een diversiteitsachtergrond

Door Marlies Thierens, PhD & Caroline Dejonghe

Het Erasmus+ project “Creëren van gelijke onderwijskansen op school” is gericht op het verhogen van het schools succes bij jongeren met een culturele of economische diversiteitsachtergrond (lage SES). In twee Nederlandse en twee Vlaamse scholen werden de 20% best scorende leerlingen met lage SES geïdentificeerd als cognitief getalenteerd door middel van een cultuur faire extracurriculaire non-verbale redeneertest (COVAT; Magez, Van Parijs, Joris , & Tierens, in ontwikkeling). Analyses toonden dat minder dan de helft van de cognitief getalenteerde leerlingen met lage SES zich in de top 20% van de best scorende leerlingen met lage SES van een school bevinden. Op basis van de non-verbale redeneertest werden dus andere cognitief getalenteerde leerlingen geïdentificeerd dan op basis van schoolse resultaten of verbale extracurriculaire tests. Resultaten toonden eveneens aan dat in verschillende scholen SES de scores op de non-verbale extracurriculaire test beïnvloedden: leerlingen met een lage SES scoorden significant lager in vergelijking met leerlingen met gemiddelde tot hoge SES. Dit wijst erop dat een niet-verbale extracurruculaire test ongezien cognitief talent kan identificeren, maar enkel wanneer SES mee in overweging wordt genomen. Verder onderzoek is nodig over hoe op een laagdrempelige manier cognitief talent over scholen heen kan geïdentificeerd

 

WS39: Leertrajectondersteuning voor jongeren

Door Cypers

In 2013 hebben we dit traject uitgebouwd vanuit een nood in de praktijk en graag willen we onze ervaringen delen. Indien een schooltraject moeilijk loopt bij jongeren met ernstige emotionele en gedragsproblemen, dan kan extra ondersteuning aangevraagd worden via LeerTrajectOndersteuning. Dit is een traject op maat. Er wordt een proces doorlopen met een jongere, de school en begeleidende team met als doel een zo zinvol mogelijke heropstart en reintegratie binnen het onderwijs te bevorderen. We zetten alle betrokkenen aan het leren rond vaardigheden, samenwerkingen en inzichten rond problematieken zodat het recht op leren van de jongeren maximaal gegarandeerd blijft. We willen op casusniveau mensen laten meedenken rond het proces, de moeilijkheden en het traject dat de jongere doorloopt samen met zijn ruime context. Naast een theoretisch gedeelte dat gestoeld is op praktijkervaring willen we zeker een praktijk gericht moment inlassen zodat we mensen kunnen inspireren om zelf zaken te gaan implementeren in hun eigen werking.

 

M10: Naar continuïteit van zorg in de brugfunctie: emotieregulatie bij jonge kinderen en hun ouders in muziektherapie

Door Kennivé

Een gezin waarin een kind psychische moeilijkheden ondervindt en iedereen onder druk staat, een lange wachtlijst vooraleer hulp te krijgen op de dienst kinderpsychiatrie, een nog langere wachtlijst om nadien verder ondersteund te worden dichter bij huis. Sinds augustus 2021 kunnen we op PAika, dienst kinderpsychiatrie van het UZ Brussel, aan de slag in de 'brugfunctie' om kind en ouders te ondersteunen tijdens deze wachtperiodes. Afhankelijk van de nood wordt er gekozen voor een traject geweldloos verzet voor ouders, het helpen opbouwen van een steunnetwerk, ondersteuning op school, psychotherapie voor het kind in gespreks-, spel-, bewegings-, hippo- of muziektherapie,... Aan de hand van casusmateriaal, focussen we in deze mededeling op onze ervaring met jonge kinderen en hun ouders die na de opname nog een aantal sessies muziektherapie volgen. Spelenderwijs leren de kinderen hun innerlijke spanning omzetten in expressief spel en muziek. Ze krijgen meer vat op hun beleving, kunnen er betekenis aan geven en hun psychische wereld verder ontwikkelen. Intussen worden ouders wegwijs gemaakt in het herkennen van de belevingen van hun kind, waardoor ze meer afgestemd kunnen helpen de spanning te verdragen en reguleren. De ouder eigent zich zo ervaringen toe om zich gerust genoeg te voelen in contact met de emotionele wereld van z'n kind, en in contact met de eigen belevingen die hierbij komen kijken. Het kind kan zijn ouder zo als stevig en beschikbaar ervaren tijdens fijne momenten samen, maar ook tijdens momenten van grote spanning en conflict.

 

WS50: Hoe ouders sterk(er) maken in het ouderschap via beeldende therapie met gezinnen (BTmG)

Door Janske van Kollenburg, beeldend therapeut Satelliet k, KPC Genk en Lieselot Vandenberghe - beeldend therapeut Departement Kinderen UKJA

BTmG is geïndiceerd voor gezinnen met kinderen van alle leeftijden waarbij de onderlinge interacties verstoord zijn en er onvoldoende ontspanning beleefd wordt. De methode kan ingezet worden voor alle gezinsvormen. De interventie is ingedeeld in tien sessies met zes verschillende fases. Ouders sterker maken in ouderschap is soms een uitdaging in ons werkveld. Binnen BTmG gaan we op zoek naar verbinding en plezierbeleving binnen het gezin. We stimuleren de eigen kracht van de ouders. Het gezin oefent nieuwe interactiepatronen tijdens het samen uitvoeren van beeldende opdrachten. Gaandeweg het proces zal ook verandering ontstaan in interactie met elkaar. Succeservaringen worden opgedaan om terug geloof te krijgen in zichzelf en in het gezin. Begrippen als enactment, herstructurering, herstelhiërarchie, subsystemen, meervoudige partijdigheid, circulariteit, goede ouder ervaringen en het versterken van de metapositie komen binnen BTmG aan bod. We willen jullie tijdens deze workshop graag meenemen in het ontstaan van de BTmG methodiek, waarop deze gestoeld is, hoe dit in fases verloopt met daarbij enkele voorbeelden van toepassingen binnen de praktijk.

 

WS41: Leefgroep voor jongeren die niet in groep kunnen samenleven:

Door Boogh

6 jaar geleden startte we op Jeugdzorg Ter Elst met een leefgroep voor jongeren die niet in groep kunnen samenleven. Dit voor de doelgroep 8-14jaar. Na enkele jaren zijn we tot een mooie en unieke werking gekomen. 7 jongeren verblijven samen en toch ook niet samen in 1 leefgroep. De werking is opgebouwd zodat er nog mogelijkheden zijn tot het leren van sociale vaardigheden, maar zonder al teveel prikkels. De hele infrastructuur is afgestemd op de doelgroep.

 

WS42: Aan de slag met agressieve jongeren

Door Kelly Neyens, klinisch psycholoog en systeemtherapeut bij Psychotherapeutisch Centrum Ligado

Onze benadering van/hulpverlening aan jongeren met agressieproblemen is vaak individualistisch. We bekijken agressie als een problematiek, eigen aan de jongere zelf. Vanuit een systeemtheoretische benadering beschouwen we geweld als iets wat tussen mensen ontstaat. Bijvoorbeeld wanneer men het gevoel heeft dat de ander, vaak onbewust en onbedoeld, ingaat tegen belangrijke waarden, identiteitsaspecten of visies. Op zulke momenten wordt de verbinding tussen mensen uitgedaagd en zien jongeren agressie soms als een uitweg.

In de hulpverlening worden jongeren vaak gesanctioneerd als ze agressief gedrag vertonen. Ze worden naar hun kamer gestuurd, krijgen een time-out of moeten naar een andere leefgroep. Enerzijds is het uiteraard belangrijk om ieders veiligheid te garanderen en de jongere de maatschappelijke grens van “geweld kan niet” te geven. Anderzijds kunnen we ons de vraag stellen of we daarmee voldoende oog hebben voor vragen als: “Welke waarden werden in de beleving van de jongere geschonden?”, “Op welke manier voelde de jongere zich geraakt in zijn identiteit?” en ook; “hoe kunnen we de verbinding met de jongere weer herstellen?”.

In deze workshop worden handvatten aangereikt voor de behandeling van agressiemoeilijkheden bij jongeren, telkens geïllustreerd aan de hand van casusmateriaal. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de werkrelatie tussen jongere en hulpverlener, naar identiteit (en wat als er sprake lijkt te zijn van een ‘agressie-identiteit’) en gaan we samen op zoek naar een gepaste en creatieve omschrijving van de concepten afstand en nabijheid.

Personalia

Kelly Neyens (°1981) is klinisch psycholoog en systeemtherapeut, werkzaam bij Psychotherapeutisch Centrum Ligado te Heusden-Zolder. Zij heeft lange tijd gewerkt in een gesloten jeugdinstelling in Vlaanderen en in Nederland. In haar huidig werk gaat ze op een creatieve, ambulante en therapeutische manier aan de slag met jongeren die reeds heel wat watertjes doorzwommen hebben in de bijzondere jeugdzorg.

 

WS43: Suïcidepreventie bij jongeren

Door Sara Van Rossem (CGG-SP) en Marlies van de Walle (stafmedewerker CPZ en VLESP)

Jongeren zijn een risicogroep op vlak van suïcidegedachten, emoties, plannen en pogingen. Tijdens deze korte en krachtige workshop gaan we (VLESP, CGG- SP en CPZ) in op het Vlaamse suïcidepreventieverhaal. Hoe kan je merken dat het niet goed gaat met een jongere? Wat doe je dan best? Op welke manier kan ik hier met een jongere over praten? Wat zijn de mogelijkheden online, zoals bv chatten? Welke Tools bestaan er? En waar kan ik als hulpverlener terecht? Vragen waar we een antwoord op zullen geven. Uiteraard is er ook ruimte voor jullie eigen vragen.

 

WS44: Online tools ontwikkelt door het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie die aangeboden worden op  Zelfmoord1813.be

Door De Jaegere

De laatste jaren zijn er in Vlaanderen verschillende online tools ontwikkeld door het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie die aangeboden worden op Zelfmoord1813.be. Ze kunnen suïcidale jongeren helpen om met hun zelfmoordgedachten om te gaan en om beter voorbereid te zijn op een suïcidale crisis. We gaan de volgende zaken na:

  • Welke mogelijkheden bieden de online tools
  • Wat is de meerwaarde van die tools?
  • Wat zijn de valkuilen? 
  • Wat weten we over hun effectiviteit?
  • Hoe ga je er als hulpverlener praktisch mee aan de slag in de begeleiding en behandeling van suïcidale personen?
  • Hoe introduceer je zo'n tool bij jouw cliënt?
  • Hoe zorg je ervoor dat online tools zinvol en helpend kunnen zijn en blijven voor een cliënt?

 

WS46: Verbonden blijven op micro-, meso- en macroniveau als Zelfzorg

Door Tine Schellekens Rapunzel vzw, KU Leuven, UCLL en Psychodroom

Alles wat we hebben, hebben we ontvangen. Als hulpverleners geven we veel door en ontvangen we ook veel. In het werken met complexe gezinnen wordt de natuurlijke energiebalans van geven en ontvangen wel eens op de proef gesteld. In deze workshop staan we stil bij het belang van zelfzorg en zorg voor elkaar.

In een eerste luik onderstrepen we dit belang binnen de realiteit van secundaire posttraumatische stress en secundaire posttraumatische groei. Om gezond te blijven in veeleisende omstandigheden is het belangrijk te blijven denken, voelen en verbinden met jezelf en anderen.

In een tweede luik maken we tijd en ruimte om stil te staan bij deze verbondenheid. Na enige reflectie over je persoonlijke balans in dit moment, word je uitgenodigd eerlijk te luisteren en te delen in groepjes van drie. We delen eigen ervaringen en hulpbronnen die verbondenheid blijven verzorgen op verschillende niveaus.

Alles wat we hebben en geven, hebben we ontvangen. We vergeten echter soms tijd te nemen om aandachtig te ontvangen en aandachtig te delen. In deze workshop willen we verschillende cirkels van verbinding bewust waarderen.

Nota. Deze workshop is een proefversie van “ ZELFZORG: Verbonden blijven op micro-, meso- en macroniveau met behulp van Story Circles”, georganiseerd door Rapunzel vzw als dag-workshop

 

WS47: Verbinding via casemanagement in Zorgnetwerken. 

Door De Clippele

In Vlaanderen zijn er de laatste jaren vanuit de overheid verschillende netwerken geïnstalleerd. Het Intersectoraal Zorgnetwerk Provincie Antwerpen (IZPA), casemanagement pangg 0-18 en casemanagement binnen het jongvolwassenenteam Afdeling Continuïteit en Toegang (ACT, opgroeien) zijn voorbeelden binnen de provincie Antwerpen van zorgtrajectcoördinatie voor kinderen en jongeren met een zeer complexe problematiek én hun gezinnen.

Binnen deze workshop willen we gelijkenissen en verschillen aangeven in het casemanagement van de drie netwerken en hun verbinding aangeven met ACT. Bij deze complexe casussen met verscheidene zorgbreuken in het verleden illustreren voorbeelden van gedeeld engagement voor zorgcoördinatie over de sectoren heen het proces naar verbinding toe. Naast mogelijkheden binnen reguliere  zorg worden eveneens realisaties ‘out of the box’ casusgebonden voorgesteld. Knelpunten en beleidssignalen komen aan bod.

 

WS48: Samen op zoek naar gedeelde verantwoordelijkheid (in crisissituaties)

Door Tessa Aelbrecht, crisismedewerker Isabelle Vrijders, crisismedewerker Yuneco, netwerk geestelijke gezondheid kinderen en jongeren Vlaams-Brabant

Hulpverleners binnen de crisiswerking worden regelmatig geconfronteerd met de vraag: “Wie is nu eigenlijk verantwoordelijk als het hier misgaat?” Een terechte, maar tegelijkertijd heel moeilijke vraag, zonder eenduidig antwoord. Want wat is verantwoordelijkheid nu eigenlijk en aan wie kan deze worden toegekend? Samen met de deelnemers wordt gekeken welke afwegingen inzake verantwoordelijkheid gemaakt dienen te worden wanneer je als crisishulpverlener samen werkt met jongeren, hun ouders en hun brede context (andere hulpverleners, scholen, CLB-medewerkers, OCJ, SDJ, etc). Binnen deze workshop willen we eigen ervaringen vanuit onze kortdurende crisisinterventies uitwisselen met de ervaringen van de deelnemers. Welke verantwoordelijkheid mag bij het kind, de ouders, de hulpverlening worden gelegd? Wie beslist dit? Wanneer en wat houdt een gedeelde verantwoordelijkheid precies in? We buigen ons over concrete situaties waarbij wettelijk vrij duidelijk is omschreven wat mag, kan en moet, maar waarbij het in de praktijk toch vaak een enorme uitdaging blijft om samen de juiste keuzes te maken. Vanuit het perspectief van de jongere, de ouders en de hulpverlener zal aan de hand van stellingen en concrete praktijkervaringen dieper worden ingegaan op verschillende dilemma’s aangaande het thema verantwoordelijkheid.

 

WS49: Speltherapie is nooit 'doen alsof'

Door Loes Maes, O.C. Sint-Idesbald Roeselare en interactie-Academie Antwerpen

Een workshop over systeemtheoretische speltherapie.  Een dominante aanname over speltherapie en het interpreteren van spel van kinderen is dat kinderen (na)spelen wat ze ervaren. Het is daarmee aan de therapeut om als schattenjagers verborgen betekenissen te traceren en zo de mysteries van hun beleving te ontrafelen. In deze workshop wil ik tonen hoe we spel in therapie met kinderen kunnen inzetten als een eigen realiteit in plaats van slechts een afspiegeling. In spel kunnen de therapeut en het kind immers al doende afstemmen, betekenissen ontdekken en weer opnieuw beïnvloeden. Ze kunnen op onderzoek uit gaan en samen nieuwe wegen uitproberen. Spel biedt zicht op hoe het kind zichzelf ervaart in relatie tot anderen en nodigt uit om daar actief mee aan de slag te gaan. Een systeemtherapeutische benadering van speltherapie zet het spel daarmee neer als een volwaardig communicatief en relationeel gebeuren. Ook het samen spreken met ouders en gezinnen van de kinderen krijgt in deze kijk op speltherapie een belangrijke plaats. Waar de spelkamer als een oefenterrein fungeert, hebben de oudergesprekken als doel om de aangesneden thema’s ook in de bredere contexten te gaan exploreren en ermee aan de slag te gaan. Doorheen deze workshop krijgen de deelnemers aan de hand van vele voorbeelden zicht op hoe te spelen met kinderen rond identiteit, zelfwaarde, grenzen en emoties. Ze worden daarnaast uitgenodigd om via hun eigen casusmateriaal een creatieve vertaalslag te maken.

 

WS 40: Music sounds better with you - muziek in gezinsgerichte groepstherapie. Of wat bindt Slipknot, Ann Christie en André Hazes?

Door Kristel Kuppens

Jongeren doorlopen op onze afdeling samen met hun gezin een intensief therapeutisch traject gedurende 12 weken in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Vaak lopen deze jongeren al een tijdje vast. School lukt niet, vriendschappen zijn weggevallen, sommigen piekeren over de dood, anderen pijnigen zichzelf, of verliezen zich in eindeloos gamen of woedebuien. De meesten ervaren onzekerheid op veel levensdomeinen. Vaak durven of willen ze niet meer in gesprek gaan over wat hen dwarszit. Contact met anderen wordt complex. Deze uitingen van psychisch lijden laten hun ouders, broers en zussen niet onbewogen. We nodigen gezinnen wekelijks uit voor een atelier gezinsgerichte groepstherapie. Hierbij zetten we verschillende verbale en non-verbale methodieken in. ‘Music sounds better with you’ is er een van. We vragen alle gezinsleden om muzieknummers uit te kiezen die hen raken. We beluisteren ze samen met andere gezinnen (ouders en hun jongere) en reflecteren via de muziekkeuze over belangrijke thema’s in hun leven, gezin en relaties. In deze workshop word je meegenomen in een sessie vol muziek. We proeven hoe dit tussen gezinsleden en gezinnen in groepstherapie nieuwe sporen kan openen. En hoe een nummer als ‘Fuck it all’ van Slipknot plots voor contact zorgt, of hoe Anne Christie en André Hazes onverwacht actueel zijn. 
 

WS51: Drempels en obstakels bij het zoeken van support

Door Noémie de Corswarem: Klinisch psychologe en systeemtherapeute in opleiding in PAika

De slagzin 'It takes a village to raise a child' is bij hulpverleners alom bekend. Maar hij dreigt een platgeslagen cliché te worden, en dorpen zijn niet meer wat ze geweest zijn. Alhoewel iedereen overtuigd is van de kracht ervan, voelen hulpverleners én hun cliënten zich in de praktijk toch soms alleen. Iedereen voelt drempels en obstakels in de zoektocht naar support. En iedereen struikelt hier wel eens over. Van de theorie naar de praktijk blijkt geen gemakkelijke opdracht. In deze workshop leggen we uit hoe we deze vertaalslag in PAika maken. Hoe kunnen we ons als team zeker genoeg voelen om de kwetsbaarheid en onmacht te (ver)dragen en de moed te hebben om dat bespreekbaar te maken? We gaan actief aan de slag met de aarzelingen die alle betrokkenen ervaren aan de hand van praktijkgerichte voorbeelden en oefeningen. We staan stil bij factoren die het voor professionals moeilijk maken om hulp te vragen, en bij factoren die veiligheid bevorderen om op een open manier over moeilijkheden te spreken en hulp te aanvaarden. Samen zoeken we passende manieren om als team tot 'wij' te groeien en als dorp te fungeren.

 

WS53 + WS54: Helpend begrenzen vanuit de hechte draad van Gerrit Vignero.

Door: Edda Janssens, bachelor in de orthopedagogie en Gerrit Vignero, orthopedagoog in het MPC Terbank

De draad is de metafoor voor hechte verbinding opbouwen, behouden, doorgeven, terug opnemen en herstellen. Helpend begrenzen betekent: vanuit verbinding richting geven, sturen en/of overnemen’ in het dagelijks leven van de jongere wanneer hij zelfbeschermend gedrag toont en/of zijn spanning stijgt. Door helpend begrenzen kom je als begeleider los van straffen en belonen, macht gebruiken, in strijd gaan en brandjes blussen, de angst die je als begeleider kan overvallen en waardoor je wil controleren en de groepsdruk van anderen.

De workshop is opgebouwd in 2 delen: een korte kennismaking met de hechte draad en het thema helpend begrenzen. De workshop wordt op een interactieve manier gegeven: de deelnemers stappen door het traject in de poster helpend begrenzen, ervaren op die manier de verschillende stappen om tot helpend begrenzen te komen, ontdekken handvatten en nemen tips mee naar de praktijk. Er wordt stilgestaan bij concrete voorbeelden, ervaringen worden uitgewisseld. Helpend begrenzen laat je anders kijken en handelen i.f.v spanningsopbouw en vastgelopen gedrag. Ontdek tegelijkertijd ook de kracht van de draad van Gerrit Vignero. Materiaal: poster helpend begrenzen en syllabus zijn voorzien.

Bij de workshop hoort de poster en de syllabus ‘helpend begrenzen’. Deze ondersteunt visueel de begeleiders, de jongeren en hun netwerk om helpend begrenzen vanuit de draad van Gerrit Vignero te oefenen en te implementeren in dagelijkse werking. De poster is het uitgangspunt bij de jaarlijkse interne vormingen en teamintervisies rond helpend begrenzen. Tegelijkertijd visualiseert de poster de visie van de 3 pijlers en de waarden van Tordale: quality of life, emotionele ontwikkeling, contextueel werken, verbinding, groeikansen, respect en gelijkwaardigheid.

Edda Janssens is bachelor in de orthopedagogie, creatief agoog en deskundige in de draad van Gerrit Vignero. Zij werkt deeltijds als draadcoach in het team beeldvorming in Tordale vzw waar ze ortho’s, teams en begeleiders ondersteunt en begeleidt in de draad, hierbij zet ze haar expertise en talenten in om de vertaalslag gebruiksklaar te maken. Ze heeft jarenlange ervaring in het vertalen van emotionele ontwikkeling naar de dagdagelijkse praktijk. Vanuit de dienst beeldvorming is er een sterke draad met Gerrit Vignero.

Tordale vzw ondersteunt kwetsbare jongeren en volwassenen in Torhout en omstreken en heeft bijzondere aandacht voor mensen met autisme, gedrags- en emotionele problemen of een verstandelijke beperking. Lees meer op www.tordale.be

Gerrit Vignero werkt sinds 1986 als orthopedagoog in het MPC Terbank te Heverlee. Zijn doelgroep bestaat uit kinderen en jongeren met een matig tot ernstig verstandelijke handicap. Hij ontwikkelde het model en de methode van de draad. Vanuit deze methode geeft hij vorming rond de draad en begeleidt hij casusbesprekingen. Daarnaast is hij geschoold in de methode Heijkoop. Gerrit Vignero is de auteur van de boeken uitgegeven bij Garant Antwerpen – Apeldoorn.

· De draad tussen cliënt en begeleider (2012, 2021⁵).

· De hechte draad tussen ouder en kind (2020⁴).

· Ontwarring en ordening van de draad (2017, 2021²).

Meer info over de draad kan je terug vinden op www.Gerritvignero.be

 

 

 

 

 

 

 

 

Laatste update op: 18-07-2022